ECOLOGISCHE OEVER

 

Deze bloemen zijn niet alleen voor de kleur en aankleding van de wijk aangeplant. Ze dragen ook bij aan een goede leefomgeving voor allerlei bestuivende insecten en andere dieren.

Voor veel insecten, bijen en vlinders zijn veel inheemse bloemen van
essentieel belang voor hun voortbestaan. Door het opnieuw creëren van
bloemrijke graslanden, zoals hier, dragen wij bij aan het herstel van de
biodiversiteit. Door in te zaaien met wilde bloemen zaden wordt de natuur
een handje geholpen.

 

 *Voor een optimale weergave op een mobiel apparaat dient u het scherm te kantelen!


Rietorchis (Dactylorhiza majalis subsp. praetermissa)

Diagnostische kenmerken
Bladen 1,5-5 cm breed. Indien de stengelbladen ongevlekt, dan de lip met donkerpaarse in rijen gerangschikte stippen of korte streepjes. Indien de stengelbladen deels of geheel met ringvormige vlekken, dan de lip met lusvormige donkerpaarse lijnen en aan de rand met stippen.

Hoogte bloeiende plant
0,35-0,60(-0,80) m.
Bloeitijd
Juni-juli.

Standplaats
Op natte, matig voedselrijke grond in graslanden, trilvenen, veenmosrietlanden, op zandplaten en opgespoten terreinen.

Zeldzaamheid en verspreiding
Vrij algemeen in de Hafdistricten en de Duindistricten, elders zeldzaam.

Scherpe boterbloem (Ranunculus acris)

Diagnostische kenmerken
Bladen behaard, de onderste in omtrek hoekig, 5-7-delig. Bloemsteel rolrond, glad. Kroonbladen goudgeel. Bloembodem kaal. Vruchtjes kaal.

Hoogte bloeiende plant
0,30-0,90 m.
Bloeitijd
April-herfst(-winter).

Standplaats
Op vochtige, voedselrijke, grazige grond; ook op kapvlakten.

Zeldzaamheid en verspreiding

Zeer algemeen.

Echte valeriaan (Valeriana officinalis)

Diagnostische kenmerken
Alle bladen geveerd; blaadjes 9-21, eirond tot lancetvormig, aan de bovenste bladen tot lijnvormig. Bloemen tweeslachtig, roze. Wortelstok met korte ondergrondse uitlopers of zonder deze.

Hoogte bloeiende plant
0,60-1,20 m.
Bloeitijd
Juni-juli(-september).
Levensvorm
Geofyt.

Standplaats
Op natte tot vochtige, voedselrijke grond aan waterkanten, in grienden en moerasbossen, in ruige graslanden, op kapvlakten, in de duinen.

Zeldzaamheid en verspreiding
Zeer algemeen; vrij zeldzaam in het Noordelijk kleidistrict en het Waddendistrict.

 

 Moerasrolklaver (Lotus pedunculatus)

Diagnostische kenmerken
Kelktanden voor de bloei stervormig naar buiten gebogen. Zijnerven van de blaadjes duidelijk. Plant met ondergrondse, wortelachtige uitlopers. Stengel vaak hol, gestreept. Blaadjes met lange, afstaande haren langs de rand. Bloemen 4-14 bijeen.
Hoogte bloeiende plant
0,30-1,00 m.
Bloeitijd
Juni-augustus.

Standplaats
Op natte, min of meer voedselrijke grond in graslanden, aan waterkanten en op kapvlakten.

Zeldzaamheid en verspreiding
Zeer algemeen, maar vrij zeldzaam in het Estuariëndistrict en het Noordelijk kleidistrict, in de IJsselmeerpolders.

 

 

Gewone Prunel (Prunella vulgaris)

Diagnostische kenmerken
Bloemkroon blauwpaars, zelden roze, zeer zelden wit. Slippen van de onderlip van de kelk kort gewimperd. Tand van de lange meeldraden priemvormig, recht. Stengel kort behaard of bijna kaal. Bladen eirond tot langwerpig.

Hoogte bloeiende plant
0,07-0,45 m.
Bloeitijd
Mei-herfst.

Standplaats
Op vochtige, matig voedselrijke grond in grasland, in bermen, in grazige duinvalleien, in afgravingen en aan bospaden.

Zeldzaamheid en verspreiding
Zeer algemeen.

 
 

 Moerasspirea (Filipendula ulmaria)

Diagnostische kenmerken
Onderste bladen met niet meer dan 5 paar grote blaadjes; blaadjes 2-8 cm lang, groen of van onderen witviltig, dubbel getand tot iets gelobd, het eindelingse groter, handvormig 3-5-spletig. Vruchtjes kaal, gewonden. Kroonbladen 2-5 mm lang, wit of roomwit. Wortels niet verdikt.

Hoogte bloeiende plant
0,60-1,20 m.
Bloeitijd
Juni-augustus(-herfst).

Standplaats
Op natte, voedselrijke grond aan waterkanten, in hooilanden en in lichte loofbossen.

Zeldzaamheid en verspreiding
Zeer algemeen, maar zeldzaam in de Hafdistrciten, de IJsselmeerpolders en het Waddendistrict.

Kleine ratelaar (Rhinanthus minor)

Diagnostische kenmerken
Tanden van de bovenlip hoogstens 1 mm lang, wit, soms paars of blauw. Schutbladen even donkergroen als de stengelbladen, met driehoekige tanden waarvan de onderste hoogstens 3 maal zo lang als breed zijn. Bloemkroon 1-1,5 cm lang, kroonbuis recht, met open keel (onderlip afstaand).

Hoogte bloeiende plant
0,10-0,50 m.
Bloeitijd
Mei-september.

Standplaats
Op vochtige tot vrij droge, matig voedselrijke grond in graslanden, aan dijken, op grazige heiden, op rivierduinen en in duinvalleien.

Zeldzaamheid en verspreiding
Vrij algemeen in het Waddendistrict, vrij zeldzaam in het Zuidlimburgs district, het Renodunaal district en het en Estuariëndistrict, elders zeer zeldzaam.

 

 Watermunt (Mentha aquatica)

Diagnostische kenmerken
Stengel eindigend in een min of meer bolvormige bloeiwijze die meestal veel groter is dan de 1 of 2 lager geplaatste schijnkransen, of plant alleen met zulke eindelingse bloeiwijzen. Bladen eirond tot langwerpig, gezaagd tot gekarteld. Kelk buisvormig, (3-)4-5 mm lang, met lancetvormige tanden, deze langer dan breed. Bloemkroon roodachtig lila. Plant met sterke pepermuntgeur.

Hoogte bloeiende plant
0,30-0,90 m.
Bloeitijd
Juli-herfst.

Standplaats
Op natte, voedselrijke tot brakke grond aan waterkanten en sloten, in laagveenmoerassen, riet- en blauwgraslanden, duinvalleien en lichte loofbossen.

Zeldzaamheid en verspreiding
Zeer algemeen.

Grote wederik (Lysimachia vulgaris)

Diagnostische kenmerken
Bloemen in grote, eindelingse pluimen. Kelkslippen 3-5 mm lang, met roodachtige rand. Kroonslippen met kale rand, aan de voet vaak met een bruinrode vlek. Bladen tegenoverstaand of in kransen van 3 of 4.

Hoogte bloeiende plant
0,60-1,50 m.
Bloeitijd
Juni-augustus.

Standplaats
Op natte, meer of minder voedselrijke grond aan waterkanten, in graslanden en duinvalleien, in vennen en in bossen; ook op drogere grond langs kanalen en spoordijken.

Zeldzaamheid en verspreiding
Zeer algemeen; vrij zeldzaam in het Zuidlimburgs district, de Hafdistricten, het Waddendistrict en de IJsselmeerpolders.
Ook in cultuur als tuinplant.

 
 

Echte koekoeksbloem (Silene flos-cuculi)

Diagnostische kenmerken
Kroonbladen 4-spletig, roze-rood, soms wit. Doosvrucht binnen de kelk niet gesteeld. Stengel behaard, onder de knopen niet kleverig. Stijlen 5. Plant overblijvend, aan de voet met niet-bloeiende bladrozetten.

Hoogte bloeiende plant
0,30-0,90 m.
Bloeitijd
Mei-juli, soms tot de herfst.

Standplaats
Op natte, matig voedselrijke grond in graslanden, vooral op veengrond, in duinvalleien, ook in lichte loofbossen.

Zeldzaamheid en verspreiding
Zeer algemeen; zeldzaam in het Estuariëndistrict en het Zuidlimburgs district en in het Gronings-Friese deel van het Noordelijk kleidistrict.

Gele lis (Iris pseudacorus)

Diagnostische kenmerken
Bladen zijdelings afgeplat, bij het doorbreken niet onaangenaam ruikend, iets blauwgroen, 's winters afstervend. Bloem geel. Stijltakken boven de meeldraden staand, bloembladachtig verbreed, naar buiten gekromd, met stempels aan de onderzijde. Buitenste bloemdekbladen veel groter en anders gevormd dan de binnenste. Helmdraden vrij. Zaden schijfvormig, donkerbruin, in de herfst vrijkomend.

Hoogte bloeiende plant
0,40-1,20 m.
Bloeitijd
Mei-juli.

Standplaats
Aan waterkanten, in moerassen en moerasbossen. Ook als tuinplant langs vijvers e.d.

Zeldzaamheid en verspreiding
Algemeen.

 

 Heelblaadjes (Pulicaria dysenterica)

Diagnostische kenmerken
Hoofdjes 1,5-2 cm breed. Plaat van de lintbloemen afstaand, minstens 5 mm langer dan het omwindsel. Bovenste bladen de stengel met twee oortjes omvattend. Buisbloemen dooiergeel.

Hoogte bloeiende plant
0,60-0,90 m.
Bloeitijd
Juli-september.

Standplaats
Op natte, matig voedselrijke tot brakke grond in duinvalleien en graslanden, aan sloten en beken.

Zeldzaamheid en verspreiding
Algemeen in het Estuariëndistrict en het Maritiem district; vrij algemeen in de Duindistricten, het Fluviatiel district en langs het IJsselmeer; elders zeldzaam.

Gewoon barbarakruid (Barbarea vulgaris)

Diagnostische kenmerken
Kelkbladen kaal. Vruchten schuin tot recht afstaand, recht of naar boven gekromd, 1,5-3 cm lang, met een 2-3 mm lange, spitse snavel. Kroonbladen 5-7 mm lang, geel, zelden lichtgeel.

Hoogte bloeiende plant
0,20-0,90 m.
Bloeitijd
April-juni.

Standplaats
Op open plaatsen in grazige, vochtige, voedselrijke grond in bermen, aan slootkanten en rivieroevers, ook in de duinen en op beschaduwde plaatsen.

Zeldzaamheid en verspreiding
Vrij algemeen in het Fluviatiel district, elders vrij zeldzaam; zeer zeldzaam in het Waddendistrict.
Ook uitgezaaid.

Kantig hertshooi (Hypericum maculatum subsp. obtusiusculum)

Diagnostische kenmerken
Kelkbladen meer dan tweemaal zo lang als breed, aan de top fijn onregelmatig getand. Bloeiwijzetakken onder een hoek van 50° afstaand.

Standplaats
Op natte tot vochtige, voedselrijke grond aan waterkanten, in graslanden en lichte loofbossen.

Zeldzaamheid en verspreiding
Algemeen in het Zuidlimburgs district, en de Pleistocene districten; zeldzaam in de Hafdistricten en het Fluviatiel district, elders zeer zeldzaam.

Gewone dotterbloem (Caltha palustris subsp. palustris)

Diagnostische kenmerken
Knopen van de bloeistengels hol, niet verdikt, zonder knik; later geen bijwortels vormend.

Standplaats
Op natte, voedselrijke grond aan waterkanten, in graslanden, rietlanden, moerasbossen en brongebieden; zoutmijdend.

Zeldzaamheid en verspreiding
Algemeen, vooral in het Laagveendistrict en het Fluviatiel district; zeldzaam in het Estuariëndistrict, het Noordelijk kleidistrict en de IJsselmeerpolders.

Moeraswespenorchis (Epipactis palustris)

Rode Lijst: Kwetsbaar. BESCHERMD!

Diagnostische kenmerken
Lip tussen het basale en het eindelingse deel aan beide zijden diep ingesneden (het eindelingse deel daardoor beweeglijk verbonden met het basale deel). Eindelingse deel rondachtig, stomp, met gekroesde rand, wit, bij de voet met een dooiergele rand. Basale deel hol, wit, met dooiergele vlek, aan weerszijden rood geaderd tot wijnrood. Overige bloemdekbladen van binnen wijnroodachtig, aan de randen lichter gekleurd. Wortelstok lang kruipend, met uitlopers.

Hoogte bloeiende plant
0,20-0,65 m.
Bloeitijd
Juni-augustus.

Standplaats
Op natte, kalkhoudende zand- en leemgrond in duinvalleien en blauwgraslanden.

Zeldzaamheid en verspreiding
Vrij zeldzaam in de Duindistricten en het Estuariëndistrict, elders zeer zeldzaam.

Grote engelwortel (Angelica archangelica)

Diagnostische kenmerken
Wortelbladen met rolronde, buisvormige steel, 2- of 3-voudig geveerd, met eironde of langwerpige, ongelijk stekelig gezaagde blaadjes; eindblaadje vaak 3-lobbig, aan de voet vaak aflopend. Stengel gegroefd. Stijlen bij de bloei kort, meestal korter dan het grote stijlkussen, bij de vrucht 2 maal zo lang. Vrucht 6-8 mm lang; vruchtwand bij rijpheid in 2 lagen verdeeld, waarvan de binnenste vergroeid is met het zaad, dat dus los in de vrucht schijnt te liggen. Kroonbladen groenachtig wit. Plant lichtgroen, sterk riekend.

Hoogte bloeiende plant
0,90-2,50 m.
Bloeitijd
Juni-juli.

Standplaats
Op natte, zeer voedselrijke grond aan waterkanten, vooral aan rivieroevers en in grienden.

Zeldzaamheid en verspreiding
Algemeen in het Fluviatiel district en het aangrenzend Estuariëndistrict, en langs het IJsselmeer; elders zeldzaam.
Ook als keukenkruid.

Grote kattenstaart (Lythrum salicaria)

Diagnostische kenmerken
Plant groot. Kroonbladen 7-10 mm lang, paarsrood. Bladen tegenoverstaand of in kransen van 3, elliptisch tot lancetvormig. Bloemen aan de top van de aar in schijnkransen.

Hoogte bloeiende plant
0,60-1,20 m.
Bloeitijd
Juni-september.

Standplaats
Aan waterkanten en op natte, voedselrijke grond in natte graslanden, veenmoerassen, lichte loofbossen, rietlanden en duinvalleien.

Zeldzaamheid en verspreiding
Zeer algemeen; vrij zeldzaam in het Noordelijk kleidistrict en het Estuariëndistrict.

Wolfspoot (Lycopus europaeus)

Diagnostische kenmerken
Stengel meestal rechtopstaand, vertakt. Bladen eirond tot lancetvormig, ingesneden-gezaagd, vaak aan de voet veerspletig. Kelk bijna zo lang als de kroonbuis. Bloemkroon wit, van binnen paarsrood gestippeld.

Hoogte bloeiende plant
0,30-0,90 m.
Bloeitijd
Juni-augustus.

Standplaats
Op natte, voedselrijke grond aan waterkanten, in moerasbossen, ook op sluismuren.

Zeldzaamheid en verspreiding
Zeer algemeen; vrij zeldzaam in het Noordelijk kleidistrict.

Gewone veldbies (Luzula campestris)

Diagnostische kenmerken
Plant los zodevormend, met korte wortelstokken. Stelen van de bloemhoofdjes ten slotte vaak teruggeslagen. Helmknoppen 1-2 mm lang, 2-5 maal zo lang als de helmdraden. Zaden (zonder de aanhangsels!) bijna bolvormig of weinig langer dan breed.

Hoogte bloeiende plant
0,05-0,20(-0,40) m.
Bloeitijd
Maart-mei.

Standplaats
Op droge tot matig vochtige, zure grond in schrale graslanden en bermen, op grazige heidevelden.

Zeldzaamheid en verspreiding
Zeer algemeen; zeldzaam in de Hafdistricten en de IJsselmeerpolders.

Pinksterbloem (Cardamine pratensis)

Diagnostische kenmerken
Helmknoppen geel. Wortelbladen in een rozet. Stengel rolrond of iets kantig, hol, meestal kaal. Blaadjes van de stengelbladen meestal 4-7-parig, zittend of kort gesteeld, lijnvormig tot elliptisch, gaafrandig, zelden getand. Vrucht 2,5-5,5 cm lang. Snavel stomp. Kroonbladen lila tot wit, soms paars.

Hoogte bloeiende plant
0,15-0,50 m.
Bloeitijd
April-juni.

Standplaats
Op natte tot vochtige, voedselrijke grond in graslanden, loofbossen, moerassen en op drijftillen.

Zeldzaamheid en verspreiding
Zeer algemeen.

Gevleugeld hertshooi (Hypericum tetrapterum)

Diagnostische kenmerken
Stengel met 4 (vaak gegolfde) vleugels. Kroonbladen lichtgeel, 5-7(-8) mm lang. Bladen met veel zeer fijne doorschijnende puntjes. Kelkbladen lancetvormig, zeer spits.

Hoogte bloeiende plant
0,30-0,60 m.
Bloeitijd
Juli-september.

Standplaats
Op natte, voedselrijke grond aan waterkanten, in graslanden en duinvalleien, ook op drassige kapvlakten.

Zeldzaamheid en verspreiding
Algemeen; zeldzaam in het Zuidlimburgs district en de IJsselmeerpolders.

Kale jonker (Cirsium palustre)

Diagnostische kenmerken
Stengel tot bovenaan duidelijk stekelig gevleugeld. Bladen lijnlancetvormig, bochtig veerspletig, met 2- of 3-lobbige slippen. Hoofdjes kort gesteeld, in kluwens. Bloemen roodpaars, zelden wit. Planten eenhuizig, bloemen in de hoofdjes tweeslachtig.

Hoogte bloeiende plant
0,60-1,50 m.
Bloeitijd
Juni-september.

Standplaats
Op natte, matig voedselrijke grond in graslanden, loofbossen en duinvalleien, aan slootkanten.

Zeldzaamheid en verspreiding
Zeer algemeen; vrij zeldzaam in het Estuariëndistrict, het Noordelijk kleidistrict, en in de IJsselmeerpolders.

 


Bron data: www.soortenbank.nl

Speciale dank aan: http://www.kenengeniet.nl/